Foto:
Krulletjes

Da ferleer je nooit

"Dat wordt nog een strubbelig jaartje, meneer!", voorspelde een keurige heer naast mij. We zaten op de historische stenen bank, vanwaar we een prachtig uitzicht hadden op het drukke plein beneden ons. Ik maakte wat aantekeningen. Van 1885 tot 1956 droeg het de merkwaardige naam: Keizer Lodewijkplein. Het was een grote groene cirkel, waarin de tram naar Beek en naar Berg en Dal hun eigen trambaan gefreesd hadden. Later sloot hier de weg naar de Waalbrug op aan. Nu heerst Keizer Traianus over de eindeloze schuifelrij kleurrijke auto's die probeerden naar het noorden de oude stad te ontsnappen.

"Dat zijn de consequenties van de stadsvergroting, meneer." Hij knipperde met zijn ogen, waarin ik tekenen van verdriet meende te zien. "Vooruitgang houdt niemand tegen. Soms is dat jammer." Zijn stem kreeg een warmer kleurtje toen hij met hopeloos geopende handen herhaalde: "Jammer."

Langzaam stond hij op en keek naar de restanten van de oude stadsmuur achter ons. Ook de Belvedère kreeg zijn aandacht. "Feul is hier weg, muir die sien d'r gelukkig nog geblefe."

Mijn verbazing en compliment over zijn Nimweegs bracht een lach op zijn verzorgde gezicht. "Komt ineens weer boven, meneer. Dat spraken wij thuis nooit, maar we hoorden het om ons heen." Jarenlang woonde hij al in het westen. Nu was hij hier op familiebezoek. "Die ouwe mure met die boge, die komme me nog bekend feur." Naar mij toe gebogen bekende hij: "He'k feur de erste keer mien laotere frouw gekust."

Een felle claxon trok de aandacht weer naar de stagnerende werkelijkheid. De autorij beneden ons schoof moeizaam voort. "Ken sij sich niks meer fan herinnere, see se letst." Na een ogenblik denken schudde hij zijn hoofd. "Ken oek goed 'n ander sien gewist. Durf ik niks um te verwedde."

We lieten de gebeurtenis even bezinken. "Eigenlijk bin ik verbaosd, da'k so gemekkeluk nog Nimweegs praat", constateerde hij. "Da's net as met fietse, da ferleer je oek nooit."

"Maar waardoor begon u ineens Nimweegs te praten?", wilde ik weten. "Gewoon afkieke bij jou. Da ferleer ik oek nooit. Muir je mot wel wa duidelukker lere schriefe."