Afbeelding
Foto:
Krulletje van Leo van Stijn

Engelbewuirder

Algemeen

Het was een gure dag. De rij wachtenden bij onze favoriete kaasboer op de markt deed mij besluiten eerst een kopje koffie te gaan drinken bij ’t Hoogstraatje. De beheerder serveerde juist twee kopjes koffie aan een bejaard damesduo, dat voldaan neergestreken was aan een onverslijtbaar tafeltje. Ik kum so bij u”, zei hij toen hij langs liep. ”Effe ‘n prebleempje oplosse.” Keek even naar de dames, toen naar mij en schudde zijn hoofd. Daarna verdween hij met een gereedschapskistje. 

“Heb u wel ’s opgeslote gesete?”, vroeg de flinkste van de twee duiven. “Marie wel.” Een verzorgde hand wees op de kleinere vrouw. “Net nog, hier bofe.” Marie knikte. Duir bin ik mee geboregeleuf ik. As d’r ergend ’n sleutel op sit, git ’t mis. Deure falle achter mien geheid ien t slot. Ik mot ’n engelbewuirder hebbe, die cipier is gewist.” Haar stem vertoonde humor en haar oogjes sprankelden. “Muir ’t git al feul beterder deur Cora. Die woont bofe mien. Ze legde haar hand liefdevol op de arm van haar begeleidster, die nog net haar kopje neer kon zetten. 

Marie graaide graag in haar verzamelbak met afschuwelijke levenservaringen. Bij verstoppertje spelen had ze al eens uren in een klerenkast gezeten op zolder bij haar oma. Daar was het afsluitklosje omgedraaid, toen ze het deurtje hard dichttrok. Schreeuwen had niet geholpen. Opa had die kast gemaakt en bleek van geluiddichte kwaliteit. Liftdeuren weigerden op de gewenste verdieping open te gaan. Afgesloten deuren hoorden bij haar leven.

We hebbe strakjes singe ien de Liendeberg en wuire mooi op tied, dan konde we nog effe nuir de wc”, begon Marie. Duir ging ‘t oek wir mis. Bleef de afsluter op beset staon.” De beheerder had wat staan duwen en trekken aan de deur en na een paar druppeltjes olie ging die open. Voor de schrik hadden ze een kopje koffie gekregen. Ze keken elkaar lachend aan.

“Ken u swiege?”, moest Cora kwijt. ”Marie sat helemaol nie fast. Muir so krege we wel graotis koffie en een puir kuukskes. Goed feur de platfink en ‘n bietje olie ken oek nooit kwaod toch.”

Ik beloofde het. Minstens tot zij weg zouden zijn.