
Oppasse
AlgemeenVoor speciale gerechten moest ik boodschappen doen bij een buitenlandse winkel. Mijn vrouw had een briefje meegeven, omdat ze terecht vreesde, dat ik met verkeerde ingrediënten thuis zou komen. Mijn fiets maakte ik vast met een geplastificeerde staalkabel.
Toen ik voorzien van alle aankopen bij mijn fiets terugkwam, zette ik de tas met de aankopen even op de grond om sloten te ontgrendelen. De staalkabel gaf zich met moeite over aan mijn inmiddels vuile handen. Terwijl ik een zakdoek probeerde op te vissen, verscheen er plotseling een grote hond achter mij. Die snuffelde aan mijn tas en maakte aanstalten om die water te geven. Ik stampte op de grond. De hond schrok, trok zijn lip op en hapte blaffend.
Er zat een vrouw vast aan het dier. “Dà duut ie anders noit, heur. Hij is nog te lui um uut sien oge te kieke.” De bazin, rijk voorzien van vrouwelijke vormen, die ze niet voor zichzelf wilde houden, schatte ik een vijftiger. “Nim mien nie kwaoluk”, lachte ze verontschuldigend. Een vriendelijk gezicht boven een te klein wit truitje, dat verdween in een strakke witte broek met een gouden ceintuur. Bijpassende open gouden schoentjes maakten haar tien centimeter groter.
Ik pakte de tas op en zette die op de bagagedrager. De hond besnuffelde nu mijn been. “Je het massel. Tasja mag je.” Dat genoegen was niet geheel wederzijds. Ze probeerde harder te trekken en de lijn korter te maken. Wij kwamen alleen dichter bij elkaar. Tasja als buffer tussen ons in. Die plantte zich bijna demonstratief op de punten van mijn schoenen. Het dier keek mij aan. De ogen droegen een vochtige glans en met wat fantasie constateerde ik tranen. “Hij is nie fan mien.” Dat had ik al gedacht. “Ik mot d’r gin. Allenig dà gedoe mè die poepsekskes al… Freseluk!”
Ik begreep niet waarom zij dan met zo’n lobbes de straat op ging. ”Hij is fan mien soon. Die is nou op huwelijksreis. Se hebbe gin oppas feur hum kenne fiende. Feulste laot feur gaon suke, umda se hullie trouwe oek lang stil hebbe gehouwe. En je hoeft nie te raoje wie d’r uuteindeluk de klos is?” De ogen van Tasja spraken boekdelen.















