
Se kenne ’t wel
AlgemeenBehalve drukke winkelstraten heeft Nijmegen al eeuwenlang intieme binnenpleintjes. Vooral in de oude binnenstad bepaalden die de charme van het verleden. Ik loop graag een rondje. Aan de rand van zo’n plein met parkeermogelijkheden voor vergunninghouders trof ik daar ooit een huilend meisje. Tussen de uithalen wreef ze over haar knietje, dat geen wondje vertoonde. Toen ik haar wilde vragen wat er gebeurd was, kwam een oudere man met verhit hoofd aanlopen.
“Wà nou wir, Miranda?” De klemtoon op ‘nou’ moest een reden hebben. “Gevallen, opa”, snotterde de kleine. “Wuir?” De vraag was kort en duidelijk. Hij verspilde weinig woorden. ”Daar.” Ze wees naar de glijbaan. “Pien?” Miranda knikte. Er zat alleen wat zand op. “Ik wil glijden.” “Bin jij te klein feur.” “Jij helpen.” Ze moest eerst gaan wippen met haar broertje Ricky. “Ik kom derèk.” Ze aarzelde, maar na een duwtje huppelde ze weg. “Oppasdag.” Lachte hij. ”Ken je da? Hè jij oek kleinkiender? Leuk hè. Half acht stonde se feur de deur. Freidags sien wij altied froeg op. Um halluf ach steet de waoge feur de deur mè kluirwakkere snuutjes. Blij swaoiend. Mooi gesich.”
In de verte leek een nieuwe huilbui op te komen. We liepen om de struiken heen en zagen de twee bij een wip staan. “Lao se eiges muir probere.” Miranda greep het uiteinde en trok eraan. Broerlief liet plotseling los, waardoor ze voorover wankelde en de plank tegen haar hoofdje kreeg. Meteen stormde hij op het tweetal af om troost te brengen. Maar Ricky was eerder en zette haar lief op de wip. Tranen bleven weg. Voorzichtig begonnen ze te wippen. Hij depte zijn voorhoofd en nek met een zakdoek die al kinderdienst had gedaan. “Leuk hè. Se kenne ’t wel, heur.”
We zetten ons strategisch op een bankje. Hij haalde een portefeuille uit zijn zak die gevuld was met foto’s. “Se bliefe oek ete. Gesellig.” Hij toonde een hele serie volgesmeerde gezichtjes en kleren. Hij keek op zijn horloge. ”We motte gaon. Se komme se so haole.” Ik moest ook voortmaken. Op de laatste foto stonden ze schoon. “Die hou ik d’r bij as hoop. Follegende week komme die schatjes pas wir.”















