Afbeelding
Foto:
Krulletje van Leo van Stijn

Kwiet raoke

Algemeen

Het carnaval is op traditionele Nijmeegse manier afgesloten met een drukke en feestelijke traditie. Onze trotse burgemeester zwaait ons enthousiast en dankbaar naar huis. De stad trekt langzaam weer haar dagelijkse gezicht aan zonder slingers en confetti. 

Als ook het geluid normaal wordt ben ik bijna thuis. Op een bankje in het park met uitzicht over de schitterende Ooij zit een man, die ongetwijfeld ook naar de carnavalsoptocht was komen kijken en nu het lawaai zichtbaar zijn rug had toegedraaid. Hij leunde helemaal voorover, waardoor het leek of hij plannen had om naar beneden te vallen. Omdat er nog alle ruimte naast hem was, liep ik naar hem toe en vroeg of ik naast hem kon zitten. Zonder om te kijken nodigde hij me uit met een handgebaar. “Plek sat,” klonk het somber. “Se is d’r nog nie en ik denk dà se oek nie kumt.” 

Zijn kleurrijke vrolijke clownspak paste totaal niet bij zijn sombere stem. Zijn beschilderde gezicht met lachende mond vertoonde een poging tot blij-zijn. “Ien de stad is het fout gelope. We hadde ons goed geschmienkt. We konde mekuir bijnao so nie trug. Ien de optocht liep ’n ouwe friend fan huir mee ferkleed as ’n seurt faokier. Hij had s’n eige soemuir d’r bij aongslote. Die het huir ech wete te boeie…” Hij keek weer naar de ingang van het park. “Ik begin bang te wurde, dà ’t nie goed git. We hadde wel afgesproke, dà as we mekuir ien de drukte kwiet souwe raoke, dà we dan hier souwe wachte en dan mekuir belle.”

Hij haalde een hondenriem met een halsband uit een jaszak. “En dan saome nuir mien huus. Nou hè’k al gebeld, muir se nimt nie op. Misschien steet se wel mee te singe dichbij de musiek. Dan ken se losgaon, heur. Soen riem is hertstikke handig a’k feul gedronke heb en mot plasse. Nim ik ‘m mee nuir ‘n boom, duu ik of ik nuir mien hond kiek en ken ik duir plasse. So net nog.” 

Hij had dat niet hoeven vertellen; ik zag het aan zijn openstaande rits.